Gekwetste gevoelens

Mijn moeder was een diepgelovige vrouw. Vloeken was zo ongeveer het ergste wat je kon bedenken. Vloeken zag ze namelijk niet als een menselijke zwakte, maar als een uitdagen van de Allerhoogste. ‘God verdoem me; vervloek me, God, het kan me toch niks schelen.’ Een vloeker daagt uit, trekt als het ware een lange neus.

Er wordt veel gevloekt. Hoe mijn moeder daarop reageerde? In ieder geval nooit met gekwetste eergevoelens. Het draaide niet om haar, noch om haar eer of haar gevoel: het draaide om de Ander. Ze raakte erdoor van slag. Ze zag voor zich hoe de vloeker Gods woede over zich afriep. Wat kon ze doen om Gods toorn af te wenden? Zijn keel doorsnijden? Nee, het liefst ging ze met de vloeker in gesprek om hem tot inzicht te brengen, maar in ieder geval bad ze om vergeving voor zijn daden. ‘Straf hem niet voor zijn ongerechtigheden, maar sla hem met medelijden, zoals een vader doet.’

Soms mis ik mijn moeder.